So
treibt die Insel • Zo drijft het eiland Gedichten
HOOFS GEDRAGEN SCHEMER
Jong was je al een chinees, schrijft Hans van
de Waarsenburg in Beschrijvingen van het Meer,
een van zijn langere gedichten, dat mij
exemplarisch voor zijn werk lijkt. Er zijn maar
weinig dichters die reuzel en honing in een
enkel gedicht kunnen onderbrengen. Wie dat doet
begeeft zich in een kruisvuur van eigen maaksel, en
loopt risico's van valkuil en tegenspraak, maar daar zijn jonge
Chinezen niet bang voor. En toch, een chinese
Limburger, kan dat? En dan nog wel een met
as in zijn borrelglas, iemand die binnen een
paar regels een ezel op een berg ziet, maar
ook een boot vol stroop? En hoe komt het dat
je al die elkaar zo snel opvolgende beelden als
lezer zo blijmoedig op je af laat komen?
Godenschemer, evocaties van bloed en dood,scharminkel en karkas? Vierentwintig verzen
telt dat lange gedicht, en als je ze leest en
herleest heb je aan een meer van tegenstrijdigheden
gestaan die elkaar niet opgeheven, maar verhevigd
hebben. De sterke beelden tuimelen over elkaar heen,
maar vreemd genoeg levert dat geen schril rumoer op,
eerder een grote, ademloze stilte, waarin een
dichter naar een emblematisch meer kijkt als naar
een spiegel die alles vergroot, en waarin hij zijn
leven ziet. Er klinken schrale tango's, een consul,
misschien wel die van Under the Volcano,
verdrinkt in een bad vol mescal, er zijn kleuren
uit de mexicaanse ansicht gelopen, een
man gaat de confrontatie aan met zijn eigen,
onthutsende zelfportret van dichter op reis. Ook in
het gedicht Eilanden is van de Waarsenburg
een reiziger met wijdopen ogen die alles wat
zichtbaar is registreren. Hij tekent het landschap
als een expressionist, schuwt geen enkele kleur, en
maakt tegelijkertijd een portret van zijn stemming,
een innerlijk theater van hilariteit, genot,
bedwongen wanhoop en somber pathos, dat eerder aan
latijns-amerikaanse dan aan nederlandse poëzie doet
denken.
Van de Waarsenburg is in Helmond geboren (1943)
en daarna voor altijd aan Limburg vervallen. Hij
woont
in het voor ons land zeer zuidelijke
Maastricht, dat nog met moeite in Nederland ligt,
maar eigenlijk dichterbij het Rijnland en het
franstalige Luik. Het zou te ver gaan om te zeggen
dat hij een buitenstaander is in de nederlandse
poëzie - daarvoor is hij te veel bij allerlei
vaderlandse poëziemanifestaties in Limburg betrokken
geweest - maar toch hebben zijn gedichten, in hun af
en toe schaamteloze grootsprakigheid en retoriek -
en dat is bij mij een compliment - een element van
verte, ook al omdat hij zich ver naar voren waagt en
de luide toon niet schuwt.
Hij schrijft een mannelijke poëzie die zich vaak
zonder reserve uitlevert in af en toe grote
gezangen, lichamelijk, aards en theatraal, soms
dronken van zichzelf - maar die ook stil kan zijn,
en altijd in de kern lucide, een stem die zich
bewust blijft van wat zij zegt, zelfs als de emotie
de beelden turbulent over elkaar heen laat buitelen,
maar die ook terug kan keren naar een hoofs
gedragen schemer.
In Terra Salsa is zijn poëzie zich ronduit
van haar latijnse afkomst bewust, en het feit dat de
spaanse vertaling van zijn gedichten verschenen is
bij een mexicaanse uitgeverij die de naam draagt van
een van de beroemdste bundels van de peruaanse
dichter Cesar Vallejo, Trilce, is natuurlijk
ook geen toeval. Ooit, in een bundel van bijna
veertig jaar geleden, keek de dichter achterom en
probeerde zijn leven in gestrekte sentimeters te
schatten. Hij kwam tot de conclusie dat het
nauwelijks de moeite loonde. Bij dat jeugdige en
zwartgallige oordeel in een mineur van
verpulvering had hij hartstochtelijk ongelijk.
Het is goed dat nu ook duitse lezers zich daarvan
kunnen overtuigen.