Er is een jeugdherinnering die ongetwijfeld de basis vormt
van het gedicht Mijn vader danst een tango. Mijn vader,
van beroep dameskapper, was een bewonderaar van Malando en zijn
beroemde Tango-Rumba Orkest ‘met zang van Frans Wanders’. Klonk
Olé Guapa op feesten, bruiloften of partijen dan stond de
kleine haarschilder met zijn brillantinehoofd onmiddellijk op de
dansvloer. De stille, enigszins verlegen man veranderde drie
minuten lang in een gepassioneerde tangodanser, een ware
tanguista.
Hij was van mening dat ‘dansles’ bij je
opvoeding hoorde en toen ik veertien werd moest ik dus iedere
zondagmiddag naar dansles. Ik vond het verschrikkelijk en vooral
het leren dansen van de tango werd, tot zijn ergernis, een grote
mislukking.
Waarschijnlijk heeft hij toen het plan opgevat om mij zelf
tangoles te geven. Op een avond gingen we naar de lege
kapperszaak. Tussen de cabines met hun rode pluche gordijnen
door liepen we over het groene balatum naar de hoge spiegel
achter in de zaak. Elke danspas deed hij ritmisch voor, terwijl
hij Olé Guapa neuriede. Iedere danspas moest ik nauwgezet
nadoen. Ik vond het een gênante vertoning en durfde nauwelijks
in de spiegel te kijken. Toen alle danspassen diverse keren de
revue waren gepasseerd, begon het echte werk. Mijn vader zou als
vrouw dansen en ik moest de mannenrol op mij nemen. Hij zette
zo’n ruisende 78-toerenplaat van Malandoop en begeleidde
mij naar ‘de dansvloer’. Ik schaamde me rot en kon mijn voeten
niet van de grond krijgen. Na een paar minuten hield hij het
nijdig voor gezien. Sinds die tijd heeft de tango mij
achtervolgd, zij het met tussenpozen.
Autobiografische elementen en rudimentaire herinneringen zijn,
zoals uit het bovenstaande blijkt, verwerkt in het gedicht
Mijn vader danst tango. Ik had geen enkel vermoeden dat dit
gedicht een eigen leven zou gaan leiden.
Het werd voor het eerst in 1984 in het maart/aprilnummer van De
Gids gepubliceerd. Precies een jaar later stond hetzelfde
gedicht tot mijn grote verbazing opnieuw in het aprilnummer van
De Gids. Mysterieuze krachten of gewoon een vergissing? Het
bleek dat laatste te zijn, maar vanaf dat moment gaf het gedicht
zich niet meer prijs. Het liet zich niet bundelen en wilde in de
la blijven liggen. Keer op keer las ik het en probeerde het te
herschrijven. Het gedicht bleef zoals het was, het wilde geen
andere vorm aannemen.
Enkele jaren later werkte ik aan mijn bundel De dorst der
havensteden, die in 1990 bij uitgeverij Meulenhoff zou
verschijnen. Het eerste gedeelte van deze bundel bestond uit een
reeks gedichten met de namen van havensteden als titel.
Op een avond haalde ik Mijn vader danst een tango onder
het stof vandaan. Een gedicht met deze titel kon ik moeilijk
onder de havensteden rangschikken. Ik las het gedicht nog eens
nauwkeurig door. Mijn ogen bleven bij de slotregel hangen. Ik
had de slotregel als titel van het gedicht gebruikt. Als ik nu
de slotregel liet voor wat hij was en de titel zou veranderen?
Als ik de titel zou veranderen in de naam van een havenstad?
Maar welke? De echte tango is Argentijns en geen Nederlands
Malando-derivaat, moet ik hebben gedacht. Ik haalde mijn
wereldatlas uit de boekenkast en bladerde naar Zuid-Amerika.
Millimeter na millimeter schoof mijn vinger langs de
uitgestrekte Argentijnse kustlijn. Bij de havenstad Bahía Blanca
bleef mijn vinger dralen. Ik proefde de naam op mijn lippen en
sprak hem lettergreep voor lettergreep uit. Met mijn vulpen
streepte ik Mijn vader danst een tango door en schreef
als titel: Bahía Blanca. Daarna las ik het gedicht
opnieuw en struikelde onverwacht over de eerste regel van de
derde strofe: ‘Het was in Rio op een terras’. Hoewel er ook in
Brazilië een Bahía Blanca te vinden is, werd me dit topografisch
iets te verwarrend. Ik kraste Rio door en verving het door
Bahía. Mijn vader danste geen tango meer en ik kon Bahía Blanca
als laatste gedicht toevoegen aan de reeks De dorst der
havensteden.
Ik haalde opgelucht adem, want het gedicht was
ondergebracht. Een treffende bijkomstigheid was - naast
‘keepersgeluk’ bestaat er soms ook zoiets als ‘dichtersgeluk’ -
de mededeling van de grote Argentijnse tangodichter Horacio
Ferrer dat Bahía Blanca behalve een havenstad ook de titel is
van een prachtige tango!
De tijd verstreek. Tijdens een literaire avond in het stadhuis
van Rotterdam leek het me toepasselijk om een aantal gedichten
uit De dorst der havensteden voor te lezen.
Tot het ritueel van een literaire avond hoort dat de dichter
wordt ontweken of gecomplimenteerd. Soms wil de toehoorder een
nadere verklaring over een bepaald gedicht horen of er iets over
opmerken. Vriendelijk lachen kan bij voorbaat eventuele schade
beperken. Na afloop van mijn voorlezing in Rotterdam werd ik
door een aardige dame aangeklampt. Zij complimenteerde mij, maar
ik voelde intuïtief dat er een addertje onder het gras schuilde.
‘Weet u,’ zei ze met enige aarzeling, ‘ik heb een aantal jaren
in Bahía Blanca gewoond.’ Ik slikte even en voelde dat het bloed
naar mijn hoofd steeg. Misschien was ze daar geabonneerd geweest
op De Gids? Of had ze mijn dichterlijke manipulatie op andere
wijze ontdekt?
‘Heeft u daar een leuke tijd gehad?’ probeerde ik me te redden.
‘Een heerlijke tijd,’ antwoordde ze dromerig. ‘Ik zou zo terug
willen gaan.’
Ik knikte vol medeleven en vroeg wat haar zo bijzonder had
aangetrokken in deze havenstad.
‘De tango-avonden,’ zei ze. ‘En die sfeer heeft u voortreffelijk
in uw gedicht verwoord. U bent er ongetwijfeld geweest, dat kan
niet anders. Misschien samen met uw vader?’
In de verte ontwaarde ik plotseling een oude vriend. Ik
excuseerde me bij de onbekende dame en verdween naar een ober in
een uithoek van de raadzaal.