Op
zaterdag 8 november werd ter gelegenheid van zijn zestigste
verjaardag in boekhandel De Tribune te Maastricht zijn nieuwe bundel
WAAR DE WEGEN WAGEN
gepresenteerd door de schrijver Daan Cartens en uitgever
Joos Kat van
uitgeverij WERELDBIBLIOTHEEK.
Op zaterdag 8 november werd ter gelegenheid van zijn zestigste
verjaardag in boekhandel De Tribune te Maastricht zijn nieuwe bundel
WAAR DE WEGEN WAGEN
gepresenteerd door de schrijver Daan Cartens en uitgever Joos Kat
van
uitgeverij WERELDBIBLIOTHEEK.
PresentatieWaar de wegen waren Boekhandel De Tribune Maastricht 8 november 2003
Dames en heren,
Tussen hoge beboste hellingen ligt een meer, een wandelpad slingert tussen de bomen, van oude villa's uit een voorgoed verloren tijd is soms een glimp te zien, het zonlicht meandert met de wandelaar mee.Hij is niet jong meer, maar ook niet oud, laten we zeggen 'voorbij het midden van het leven'.En eigenlijk wandelt hij niet, hij kuiert, alsof de dag geen avond kent. In de verte tegen de zoom van het dorp ziet hij een terras, dat afloopt naar het blinkende water. Hij gaat zitten aan een tafeltje in de schaduw, de obers kennen hem al, hij krijgt de kaart aangereikt en besluit iets kleins te eten en ach, waarom ook niet, bij dit weer en bij deze gemoedsgesteldheid zal een glaasje champagne smaken. Uren later ziet hij de hemel betrekken, de wind lijkt uit de bergen te vallen, het zojuist nog roerloze water begint te golven, steeds ruwer, onbarmhartiger. Tafels worden snel naar binnen geschoven, de man staat op, hij pakt het boek van de tafel
Birthday Letters van Ted Hughes en loopt langs het water terug naar zijn hotel. Hij hoort de boten tegen de vlonders slaan, boven het meer is het nacht geworden, 'het eiland is een luchtspiegeling', hij kijkt nog een keer om, morgen is er weer een dag om het meer te beschrijven.
Die man, het zou Hans kunnen zijn.
We verplaatsen het decor naar binnen in het trappenhuis van het hotel dat beter in een skioord zou staan, dan aan een meer. Geduldig beklimt de man de trappen naar de lounge. Halverwege wordt hij luidkeels begroet door twee Balkanezen. Ze omarmen elkaar, voegen elkaar enkele kreten toe die de herinnering geestdriftig opstoken en uit het vuur van het gesprek blijkt de - laat ik dat ouderwetse woord maar eens gebruiken - verbroedering. De man maakt zich los uit de minutendurende omhelzing en bereikt de bar van het hotel die gezellig is gemaakt met skaileren banken en een feestverlichting die elke rimpel en porie goed laat uitkomen. Het kan de man niet deren, hij trekt zijn hoed wat verder over het voorhoofd en roept een ober, die om een minuutje geduld vraagt. En dan mompelt de man die geheimzinnige woorden die die avond nog vaak zullen weerklinken; die avond als zich rondom de man een discussiërende, lachende groep heeft gevormd.
Nema problema - want problematisch is het leven en de wereld, maar nu even niet.
Die man, het zou Hans kunnen zijn.
De volgende ochtend is het conferentiezaaltje van het hotel, dat aan betere Warschau Pactdagen doet denken tot de laatste plaats bezet. Er wordt gefluisterd, geroepen en gemopperd in alle talen. Elk gelijk is eigen gelijk geworden. De man, zijn haren nog nat van een te vroege douche, zit wat terzijde met de armen ferm over elkaar. Hij schudt voortdurend met zijn hoofd, alsof hij de babylonische menigte zo tot bedaren zou kunnen brengen. Dan wordt het hem teveel. Hij staat op, hij bast door het geroezemoes heen en het wonder geschiedt: het wordt stiller, het wordt stil. De voorzitter, een knokige man met de motoriek uit een bouwpakket, maant hem zich te temperen, maar dat is een misplaatst verzoek. De woorden van de man missen hun uitwerking niet, ze hameren op de hoofden van de aanwezigen die instemmend knikken of sissen en pruttelen van een binnensmondse woede. De man heeft niet lang nodig, wat hij zegt is klare taal, hij is een man van robuuste meningen - althans: voor het front, want wat in die zaal bijna niemand weet is dat zijn echte woorden, de woorden die hij verzint en opschrijft, die taal van hemzelf, die taal van de dichter, melodisch en melancholiek is en soms wegsterft als een snarenspel aan het eind van de nacht.
Die man, dat zou Hans niet kunnen zijn, dat is Hans.
Dames en heren, ik zal u niet langer vermoeien met stills uit het bestaan van de dichter Hans van de Waarsenburg die in de afgelopen zomer zestig jaar is geworden. Deze bijeenkomst in
De Tribune is dubbel gedenkwaardig: wij memoreren hier vanmiddag niet alleen die verjaardag, maar presenteren ook de nieuwe bundel van Hans,
Waar de wegen waren bij Hans' nieuwe uitgeverij, De Wereldbibliotheek.
Van die zestig jaar ben ik van een kleine vijfentwintig, vaak van een afstand, soms van nabij, getuige geweest. Ik zou u kunnen vertellen over een uiterst merkwaardige jeneververmenigvuldiging die plaats heeft gevonden in het Eerste Klasrestaurant van het Centraal Station in Amsterdam, of over een al even curieuze persoonsverwisseling in het Kuhrhaus in Scheveningen, maar ik doe dat niet, want dat zijn herinneringen die Hans en ik samen koesteren en dat houden we zo. Bovendien wil ik nog iets zeggen over zijn nieuwe gedichten.
Waar de wegen waren begint met het laatste gedicht uit Beschrijvingen van het meer en dat is geen toeval, maar wel symbolisch: de poëzie is een ononderbroken stroom. Uit een oud interview citeer ik: 'Naarmate je ouder wordt kom je steeds dichter bij jezelf. Laat ik het zo zeggen: poëzie is een vorm om als mens steeds dichter bij jezelf te komen.' Ik weet dat Hans van dit soort gepsychologiseer gruwt, maar toch vormen de nieuwe gedichten een prachtige illustratie van die uitspraak. In 'Over de velden', het openingsgedicht lezen we: 'Als er al een afscheid is,/ Laat het dan nog duren (..)' en in veel opzichten is de poëzie van Hans van de Waarsenburg afscheidslyriek. Dat klinkt dramatischer dan het is, want het betekent dat het voorbije, het onbereikbare wordt gekoesterd met heel precieze beschrijvingen en prangende beelden. Wie herinnert zich niet de weemoedige portretten van havensteden, vervallen paleizen of ruines in zijn oudere werk?
Waar de wegen waren is, denk ik, Hans' meest persoonlijke bundel. Afscheid nemen betekent herinneringen naar zich toehalen uit een ver of nabijer verleden. Uit de prachtige cyclus
Naar ginder, naar Gent blijkt weer eens de enorm anekdotische kracht die ook zo eigen is aan Hans zijn werk. Die voorkeur voor het epische leidde vroeger wel eens tot burleske taferelen of stemmige herinneringen an sich, deze dichter heeft daar nu eenmaal een goed geoefend oog voor, maar
Waar de wegen waren is een indrukwekkende eenheid geworden van gedichten die geschreven zijn in de getemperde toon van
Lebensbejahung en bekommernis om de vergankelijkheid die de dagen van nu dieper kleurt.
Ja, er wordt afscheid genomen van vrienden, van bevriende kunstenaars;
ja er wordt afscheid genomen van diep ingebrande beelden uit de jeugd van de dichter, herinneringen waarvan de betekenis zich nu letterlijk in taal vormt;
ja, er wordt afscheid genomen van een bekende wereld om naar een eiland voor de Ierse kust te varen, waar het mythische alledaags is en dus ongewoon en:
ja, er wordt afscheid genomen van een kleinkinderloos bestaan met twee lofliederen op de intrede van nageslacht.
Ja - er wordt afscheid genomen, maar als er al een afscheid is, laat het dan nog duren en dat gebeurt, een bundel vol, één ademtocht lang.
Hans kent de gave van de vriendschap, velen van u die naar hier zijn gekomen zullen dat kunnen beamen. Voor mij behoort Hans al jarenlang tot mijn meest dierbare vrienden en voor iemand met een mild misantropisch karakter als het mijne betekent dat veel. We hebben samen de nodige reizen gemaakt, ik ben niet voor niets begonnen met enige scènes aan de oevers van een alweer voor velen goed te traceren meer. Van al die ononderbroken uren van conversatie, lachen en alcoholische geneugten is veel me bijgebleven, maar zeker ook die bepaalde momenten van Hans die ik zo goed ken. Hij valt even stil, de blik verdiept zich, alsof een reservoir aan indrukken moet worden aangemaakt, voor latere solitaire ogenblikken in de werkkamer
Er was nog niets, alleen een vaag
Vermoeden van een opwinding
lezen we in de bundel.
Dames en heren, Waar de wegen waren is een specimen van een gerijpt dichterschap. Doorleefd is zo'n mooi dubbelzinnig woord, dat in dit geval beide betekenissen rechtdoet. Het doorleefde heeft vorm gekregen in hecht geconstrueerde cycli en gedichten die helder maken dat doorleven, soms tegen de stroom in, het enige werkelijke verzet is dat een mens staande houdt tegen de almaar indikkende tijd.
Ik felicteer Hans met zijn jaren, maar ik wens hem vooral oprecht geluk met zijn nieuwe bundel. De dichter en de vriend verenigt in één, hier en nu, daar is geen verbeelding bij nodig.
Daan Cartens
Waar de wegen waren, Uitgeverij Wereldbibliotheek
Amsterdam 2003, Prijs: Euro 15,90