Een scheve schaats op het netvlies
Dat crashte en verkruimeld hoorn.
Er hoorde geen geluid bij. Er was
Een stilte in het oor. Een dag van
Hellepijn, oogverblindend niets.
Ik was nog niet wakker en bliep
Vonkte slijpsel meshard. De dode
Zonde lispelde, maar mijn hand
Was geen dader. Ik wilde niet
Gebocheld lopen door dreven van
Verliefdheid. Streepte de dag weg
Met scherven. Wie riep mij nog ?
Ik was nog niet wakker
Een schaduwman in een tranende
Ooghoek. Hij met de zeis of de
Doodgraver der Eerste Klasse ?
Die de maat meet van het houten pak.
Blikslager, ik ben je dienaar. Ik mis
Elk geluid dat je niet meer hoort.
Het knisperen van een woord dat krult.
De uppercut op de kin, de doffe leverslag.
Ik was nog niet wakker of mijn schedel
Kraakte mijn gehoor te pletter. Ik at
Boorsel, slikte hersens, lepelde het oog
Uit de haas. Tot het knakte en barstte.