Voor Hans van de Waarsenburg moet het passeren van het zestigste levensjaar, afgelopen zomer, een weinig heuglijke gebeurtenis zijn geweest. In zijn gedichten namelijk is hij tegen eindigheid en vergankelijkheid altijd te hoop gelopen.
Op de drempel van de ouderdom heeft Van de Waarsenburg Waar de wegen waren gepubliceerd, een bundel die sprankelt van jeugdige vitaliteit. In zeven afdelingen voert de dichter ons mee naar de verste uithoeken van zijn herinnering, naar lang vervlogen tijden en naar recente gebeurtenissen. Elke afdeling vloeit over in de andere zoals de woorden in de afzonderlijke gedichten zich tot een droomachtige realiteit vermengen. Waar de wegen waren biedt een reeks van filmisch aandoende beelden waarin Van de Waarsenburg vitaliteit en dood telkens weer met elkaar verzoent:
En zocht ik in de havens naar je gezicht.
Want horizon is slechts een verte in altijd
Ander licht. Het dorst in je stem, zei je.
Kom hier en zet je lippen aan glas of gedicht.
Als in vorige bundels wordt er in Waar de wegen waren heel wat afgereisd en gedronken. Van de Waarsenburg neemt ons mee naar het noorden van Ierland, Gent en Venetië, of blijft in zijn woonplaats Maastricht. Overal beleeft of herbeleeft hij een avontuur waarachter dood en vergankelijkheid loeren, maar waarvoor drank, poëzie, dans en andere geneugten een tegenwicht bieden. In de voorbije tijd, in de titel van de bundel geaccentueerd door 'waren', vindt de dichter eveneens een onderdak. In de slotwoorden van de tweede afdeling noemt hij het woord 'was' (qua betekenis één van de verschrikkelijkste woorden): 'tijd die zomert in warme waterlijnen.'
De alliteratie in de titel van de bundel preludeert op de klankrijkdom van de gedichten. Ze klinken als liederen en er is zelfs een afdeling 'Klein lied' waarin Van de Waarsenburg zijn twee kleinkinderen bezingt.
'Zo draai je langzaam in de molen van je/ Leven en nooit meer, nooit meer terug', fluistert hij één van hen toe. En in sappige taal schildert hij in 'Naar ginder, naar Gent' een kindertijd waarin de dood nog niet rondwaart: 'De jongen die daar stond, met de grootste/ Ogen van de wereld, een droge mond vol/ Verbazing.'
Bij al die overeenkomsten tussen de afdelingen, wisselen zowel toon als onderwerp. Daardoor ontstaat een zuidelijke, of beter, een 'onhollandse' beweeglijkheid zoals in de afzonderlijke gedichten waarin de dichter pendelt tussen heden en verleden, leven en dood, haven en horizon.
Tot de mooiste cyclussen behoort 'De niet bestaande ruimten van het Arsenale'. Hierin mijmert de dichter bij de beroemde verdwenen scheepswerf in Venëtië. Deze zeevarende stadstaat had haar glorie te danken aan de galeien en oorlogsschepen die de dichter voor zolang de cyclus duurt opnieuw laat uitvaren. Tenslotte doemt als ankerplaats het prachtige Venetiaanse dodeneiland San Michele op:
Wij staren, houden elkaar vast. Tot de misthoorns klinken
En de zwarte gondel ons nadert en wij drijven naar San Michele.
Als in de gehele bundel loopt in deze Venetiaanse afdeling een lijn naar ongewisse verten. Onderzoekend en bestormend gaat Van de Waarsenburg zijn wegen en steeds weer krijgt de dood een ander gezicht. Waar de wegen waren verdient een ereplaats in zijn oeuvre. Een absoluut hoogtepunt? De tijd zal het leren.
Hans van de Waarsenburg, Waar de wegen waren.
Uitgeverij Wereldbibliotheek, 15,90 euro, ISBN 90-284-2024-x, 52 blz.