Hans van de Waarsenburg is een politiek dichter geweest. Hij
schreef 'poëzie' als 'powezie'. Hij was verontwaardigd over de
Amerikaanse vuile oorlog in Vietnam. En er waren de dictaturen van
Franco, de Griekse generaals, de vaudeville rond Allende. Er is een
tijd geweest dat men de ogen geopend hield en zag. Onder zijn vroege
poëzie is er nogal wat activistisch werk: poëzie moest mensen
bewustmaken en doen handelen. De verontwaardiging was gebaseerd op
gruwelijke feiten: Tsjecho-Slowakije, onderdrukking, moorden die
gepleegd werden op zwakkeren. Er is weinig politieke poëzie die aan
zichzelf twijfelt: het is de zekerheid die roepen doet. Het was de
tijd toen men kijken met ethiek verbond. De jaren gaan heen en het
vergeten wordt een deugd.
Van de Waarsenburg behoort tot een 'tussengeneratie': hij heeft iets
van de Vijftigers geproefd zonder er ooit toe te behoren. In zijn
beste momenten was er een beeldspraak die het al te manifest
zichtbare kon verhullen, naar een ander niveau tillen. Zijn poëzie
is geëvolueerd naar een vertellend dichten met een melancholische
ondertoon. Een actieve en bewuste berusting. Niet meer wat het zou
moeten zijn staat centraal, maar dat wat is. Er is veel natuur in
deze poëzie geslopen. De mens is nu een onderdeel van de natuur (en
niet (alleen) meer van de maatschappij) - wie een eeuwige visie wil
ontwikkelen, wordt in ieder geval minder alert. Het is poëzie in een
kleine ruimte geworden. Maar toch: indrukwekkend. De titel van zijn
nieuwste bibliofiele bundel, Nachtdichten, is niet
verwonderlijk. De ervaring van het alledaagse blijkt de bron van het
leven te zijn. De melancholie van Van de Waarsenburg is een
zachtheid, een tactiel omgaan met de dingen en de mensen. Politieke
poëzie speelt zich overdag af, het is bij uitstek klare poëzie. De
nacht is voorbehouden voor de dromers, de beschouwers. De nacht is
het domein van de tegenmaatschappij.
De reeks van tien gedichten is geïnspireerd op de Nocturnes
van de Ierse componist John Field. Hij creëerde de nocturne als een
genre voor piano: een muziekstuk zonder vast thema of een bepaalde
vorm. De nocturne is bij uitstek melancholisch: ze verwijlt, ze
droomt, ze meandert. Er is meer sfeer dan structuur. De muziek is
een uiting van emotie.
En zo zien we de dichter mijmeren aan de zeekant, in de schemer van
de nacht. De piano is het instrument van het dwalen geworden: 'Hoe
wandelen vingers over een piano?’
De dichter: 'Afscheid is een I Tasten voor altijd in toonloos
niets.' Maar de melancholie verlamt hier niet. Er is een aansporing
om met en bij de geliefde te zijn.
Het boekwerkje is bijzonder subtiel vorm. gegeven. Het papier is een
geel dun papier, het knispert. Het is 'Bodleian' papier van Barcham
Green. Een speciaal papier is in de boekenwereld gevaarlijk: men
benadert snel de sfeer van de hobbyisten, de bloemisten en de
herboristen. Hier niet: het papier is van een statigheid die het
geheel versterkt. Onder elk gedicht is een cijfer in blauw gedrukt
en die schuiven naargelang de gedichten vorderen van links naar
rechts. De letter zelf is de duidelijke, stevige maar toch ook
bekoorlijke Lectura. Het materiële ondersteunt de sfeer en de
gedachtegang van de dichter, ja versterkt die zelfs. Deze drukker is
een denker en een liefhebber.
(Uit: Poëziekrant, november – december 2006)
HANS VAN DE WAARSENBURG ,Nachtdichten
In de Bonne/ant, Banholt, 2006
50 ex.; de nummers zijn gedrukt,
de boeken gesigneerd; ˆ 35