De boot naar de Aran spleet de golven.
Het sacrale water schuimde Atlantisch
Over de randen van de baai. Stormwind
Verstrengelde onze haren en zoutkristallen
Vulden de rimpels van de jaren. Er lag
Een hand op een hand. Turf stapelde
Zich in het hoofd. Of er een varken werd
Geslacht. Kruimige bloedworst dampend
Op ons wachtte, omringd door appel en
Herfst. Maar het is toch lente, zei je en
Neuriede een oud lied in mijn oor. Terwijl
Zee bloesemde in het verwaten warer.
Zeemansbenen zochten naar de kade. Een
Manke eend verliet waggelend het schip. Op de
Kade lag een bijna dode man. Dronken uit zijn
Beeld gevallen. De tong nog grijs van Jameson,
Erosie van Guinness op de lippen. Dit wordt
Vandaag ons eiland, zei je en trok me bij hem
Vandaan. Zoute regen loogde de huizen. Er
Was geen boom om een letter in te kerven.
Grijs de lucht, grijs het water. Geen kater lag
Op de loer. We tuurden over de vergeten
Eilanden, waar steen onverstaanbaar over de
Doden heerst en de dag zich vernauwde.
We hadden ons rillend met dekens omhuld.
De hoeven van het paard klakten trouw,
Of de wegen zachte paden waren. Iedere
Stap omkeerbaar was. Zeehonden zwommen
Naar de horizon. Aardappelen lagen als
Eieren in het schaarse turf. Op je lippen
Proefde ik een zout, dat steen gedoogde.
En je me daarna aankeek, door mijn ogen
Terugkeek Dit is het einde van een wereld,
zei je, waar oud nooit ouder wordt. Waar
Tijd een stilte is in een urn vol as. Aran,
Droom met de geur van paardendekens.