De dichter, diep hurkend, is de nootloze
Aanbieder van alfabet. Hakt op toetsen
Van ivoor. Herleest liefde en letters wit
Papier. Het woord is een vreemdeling en
Zoekt naar onderdak. Hij moet nog met
Haar spreken. De jaren. Ja, de jaren die
Als vloed en ebbewater schaamteloos
Door Zeeland stroomden. Droomloos
Zeeland als ik er niet ben. Gedroomd
Zeeland als ik over het strand loop.
Tonaten van bruisnoten, hoogwaternoten.
Strandvoogd vol mompelend schavot en
Verdronken Duitsers. Hadden ze maar niet,
Hadden ze maar niet. Dat water, dat water.