Meanderend in een landschap
Van koolzaad en sombere
Bossen. Dood. En jagende wolk -
Depressies over de rotsen.
Deemster van oud en het
Eiland waaraan hij zich
Vastklampte, als een drenkeling
Aan het boord van een schip.
En het weerlicht erboven.
II
Altijd de andere, zijn schaduw
Waar je loopt, voorbij gaat.
Zwijgzame vreemde. In het
Water een stilstand ontwaart,
Een weerspiegeling. Dubbel -
Ganger die zijn hand legt
Op de avond en daarna het
Zinkende schip, verloren
Oog van de nacht.
III
Zoals het eiland drijft, zo zwemt
De vis. Windstilte en het
Zeildoek dat een volgende
Eeuw binnen droomt. Je
Afdruk in het witte zand,
Zonder voetstap, geen vertrek.
Luchtvogels en alom geluid van
Oor tot oor. Zoals de vis zwemt,
Zo drijft het eiland.