|
left menu
|
GODDELIJKE KNOL II
Men at je omdat er niets –
Groot was de ijzeren ketel
Sober het groengrauwe licht
Van de olielamp, vlekkerig
Huisde je in je schil –
Zo werd je verslonden
Je sneed een oor af of stak
Een mes in het varken. Je lag
In bloed en vochtige herfst
Lamento van kauwbaarheid in
De mondprop, speeksel van
Honger en alle dood, men at je –
Proleet was je tussen
Zeeuwse Klei en Beste Borgers
Ondergeschoven kind in losse grond
In zand huisde je
Zocht amechtig het water
Om jezelf te voeden
Zon schuwde je
In schamel blad gestoken
Wachtte je altijd op regen
Onder aarden oksels groeide je
Zwijgzaam naar het schuwlicht
Der magen. Rul lag je in de hand
Van de rooiers. Daarna dampte je
In schamele pannen en verdween je
In boertige buiken rond het veen
Soms stilde je het schrokkende
Ver–driet van verlegen minnaars
En kuste je schaamteloze tongen
Ach, zandschlemiel, almaar
Haalde ik je zorgzaam uit de
Kelderkist en koesterde je paars
Witte tentakels, je verrimpelde
Huid. Tot ver na de winter bleef
Je redder van onmondige jeugd
In het fluweel van kruimels
Stond je uit een dood op in
Een mond die maalde, kraakte
Als een tangoplaat uit de donkere
Tijden van de Coloradokever
O, vergeten toekomst van toen.
Overal kom ik je tegen in meervoud
Van onschuld. Ongewassen lig je
Schaamteloos op damasten tafellakens
Te koop. Een pokdalig landschap
Van zetmeel welft onder de handen
Van de jetset in Le Madri, N.Y.
Men betast je. Men veegt besmuikt
De handen schoon. Men gaat aan tafel
En leegt de borden van het huis
Nee, dit was geen glorievolle
Terugkeer van een ontheemde, maar
Een schoffering van bitter heimwee.
<<
O
>>
|