|
left menu
|
NAKLANK
Verlopen in dagen, verloren
In tijd. Wat verdween en toch
Bewaard. In zwart en wit de
Code van herinnering, glad als
Riviersteen, aangespoeld op
Verre oevers. Slechts thuis
In een alfabet met de Aa van
Van water en ver verschiet.
Vreemde namen, steden van
Nooit gehoord. Ik had de
Schepen lief en beminde de
Verte die zij waren. Stoom –
Boten, varend door het
Water van de stad, naar
Noord, naar zuid. Eeuwige
Reis, vanaf de brug bezien.
Wat niet naadloos verbond
Maar ook scheidde, over –
Zijde. Wachten in eerdere
Tijden, de droom van een
Val, drenkeling naar adem
Happend, hoofd en handen
Te pletter, zo zwaar woog
De brug van oud en hout.
Mager en bleek de jongens –
Lijven, zwemmend, ver van
De sluisdeuren, drogend het
Haar, de gebreide onderbroek.
Latere vaart brengt andere
Ogen in het riet, met de fietsen
Als stille getuigen. Iedere
Zomer zong een ander lied.
Zo rijst de burcht op en
Spiegelt zich dalend in de
Vijver. Het steen zo nabij,
Bewaart mijn vroeger als
Dat van haar, die treurt
In takken. Luitspel, als
Een zwanenzang, vol hoofs
Gedragen schemer.
Wilg, huil niet om mij.
Gedenk de ridder en de
Jonkvrouwen van weleer.
Koester de burcht, die
Het vergeten draaglijk
Maakt en wieg in lome
Zomerwind de woorden,
Verborgen in je schors.
Zo diep geborgen in het
Woud, het eiland van de
Dood, de gesloten poort.
Altijd herfst en de stilte
Tussen ritselend blad.
Huiverend zwegen we.
Slopen op onze tenen
Terug naar het licht.
Er was nog niets, schaduwvrij
Lopen over een stoeptegel,
Dat telde. Oogluikend mooi,
Schuw bekijken in een kerk
Met pijnigend orgel en gemis.
In een wolk van wierook en
Wijn zweeg mijn stem. Zang
En zonde bewarend voor later.
Geofferd op het altaar
Van jeugd, levenslang
Schaatsend in Binderen.
Klompen, kranten, O. L.
Vrouw van Ongedurige
Vrieskou. Baden wij: Geef
Ons heden Worstenbrood,
Want morgen zijn we Dood.
Hoe lost alles op en kan
Het toch nog blijven?
Ik raak aan het huis
In niet meer bestaan.
Ik schrijf een thuis,
Omwal vergeten, de
Aa van water, werd
Zout van zee en later.
<<
O
>>
|