|
left menu
|
ZIELSBEELDEN
De man die, gekromd in zijn buiging,
Met de hand naar aarde wijst
Verleden deelt en molens te lijf.
Ach, zijn ezel is een verbeelding
Van barre nachten, koudvuur in de
Bergen van kreukelwit en wanhopig
Wachten op altijd de laatste der
Vrolijke winters, waaruit zal opklinken
Hybride koorzang en schor hanengekraai.
Zielsbeelden die zich vereffenen,
Deelbaar in hun wezen, denkbaar
In hun verleden. Schim van de man
Die de tafel klieft of vouwt tot
Plat sermoen van oude zondagen.
Zich verhult in kind of het
Schuifgruis van de berg die -
Onverplaatsbaar - op het netvlies
Nauwelijks kleur verliest
Telkens in avond zakt, uit
Nevelige ochtend stijgt, in
Een blauwte van dauw, linnen
Kust, geen tijd van afscheid kent
Ogentroost biedt, terwijl zijn
Nagels over het doek krassen.
<<
O >>
|