|
left menu
|
ZO HIJ
Zo hij – en zijn hoofd voorover
En zijn lippen droog en dorstig
Gebogen de nek – zo hij
Het hoofd opgericht en de dag
De dag blijkt en het jongensoog
Uitkijkt over tuin, glas.
Bedauwd – of er een zijn
Bestaat buiten het zijn en daar
Buiten ook nog een wereld.
En hoe dit alles stoutmoedig op
Een lichtvaalt van vuur en
Verdoofd woestijnzand. Dor
De aarde en verlaten de hand,
De bede. Laat de kleur,
Laat de schipper, het voorbij.
Laat de berg, de gloed.
Zo hij – de altijd spiedende –
Telkens beeld maakte, woord.
En nu dood.
<<
O >>
|